Kegelvormige boom, tot 40 m hoog. Verliest zijn naalden in de winter.
Schors roodbruin, geschubd. Takken afstaand. Twijgjes roodachtig.
Naalden in bundels van ca. 40 bijeen, afgestompt of spits, tot 3 cm lang, aan de bovenzijde lichtgroen, onderkant met 2 groene strepen.
Vrouwelijke kegels met omgekrulde dekschubben, 2-3 cm lang.
Ook 'Japanse lariks' of 'Goudlork' genoemd.
In Europa voornamelijk aangeplant voor houtproductie.
Fam: Pinaceae (Dennenfamilie)
De Europese lork, die inheems is in Europa onderscheidt zich van de Japanse lork door de zachtere naalden en de schubjes van de kegels, die niet omgekruld zijn.

Tekst |
Fotografie |
Pictogrammen |
Website |
| José Langens | José Langens | Mark Wijnmaalen | Lisette Langens |
| Mark Wijnmaalen | Edwin Steenwinkel | ||
| Lisette Langens | |||
| Jac Smout | |||
| Ger Bogaers |