Donkerpaarsbruin tot zwart, kegelvormige, dun hoedje (Ø 1-2 cm), gegroefd bijna totaan het centrum, vaak met fijngetande rand.
Plaatjes vrij ver uiteen, aangehecht en soms een beetje langs de steel aflopend, wittig tot grijswit. Sporee wit.
Steel dun, gekleurd als de hoed, bovenaan berijpt, onderaan wollig behaard.
Vlees scheidt bij beschadiging wit melksap af. Eetbaar. Ruikt en smaakt zwak radijsachtig.
Groeit op zure, zandige bodem, in loof- en naaldbossen, op rottend hout of op de grond, en ook wel op brandplekken (september - november). Zeer algemeen.
Zie ook Witte melksteelmycena en Melksteelmycena.
Fam.: Mycenaceae.
Breedte (cm): 1-2 |
Hoogte (cm): 2-6 |

Tekst |
Fotografie |
Pictogrammen |
Website |
| José Langens | José Langens | Mark Wijnmaalen | Lisette Langens |
| Mark Wijnmaalen | Edwin Steenwinkel | ||
| Lisette Langens | |||
| Jac Smout | |||
| Ger Bogaers |