Aanvankelijk kegelvormige of gewelfde, later uitgespreide, grijsbruine hoed (Ø 4-8 cm), met stompe umbo. Oppervlak wat vezelig tot fijnschubbig.
Lamellen vrij, buikig, wittig, later rozig, sneden later donker olijfbruin. (Sporee vuilroze).
Steel met overlangse grijsbruine vezels op wittige ondergrond, aan de basis eniszins verdikt.
Vlees wit, ruikt zwak zwammig, smaakt mild. Eetbaar, maar nogal smaakloos en gezien de zeldzaamheid niet plukken.
Groeit vooral in naaldbossen op stammen en stronken van dennen en lorken, maar ook wel op die van loofbomen (augustus - november). Vrij zeldzaam.
Fam.: Pluteaceae
Foto's: Jac Smout
![]() |
| Breedte (cm): 4-8 |
| Hoogte (cm): 4-8 |

Tekst |
Fotografie |
Pictogrammen |
Website |
| José Langens | José Langens | Mark Wijnmaalen | Lisette Langens |
| Mark Wijnmaalen | Edwin Steenwinkel | ||
| Lisette Langens | |||
| Jac Smout | |||
| Ger Bogaers |